De Zwarte Schim in de Casewinistraat

In de Casewinistraat zijn de huizen dicht op elkaar gebouwd, maar toch kan het ’s avonds stil worden. Niet de gewone stilte van een rustige buurt… maar een soort leegte die tussen de huizen blijft hangen zodra het verkeer afneemt en de stemmen verdwijnen.

Sara had daar nooit echt bij stilgestaan.

Voor haar was het gewoon thuis.

Een kleine voorkamer, een smalle gang die naar de slaapkamer leidde, en daarachter het toilet. Alles overzichtelijk. Alles vertrouwd.

Totdat ze het zag.

De Zwarte Schim in de Casewinistraat

De eerste keer was zo onbeduidend dat ze er bijna om moest lachen.

Ze zat in de voorkamer, half onderuitgezakt op de bank, terwijl de televisie zachtjes op de achtergrond speelde. Haar ogen dwaalden af, zoals dat soms gebeurt wanneer je moe bent maar nog niet wilt slapen.

En toen, vanuit haar ooghoek, zag ze beweging.

Een donkere vorm.

Snel.

Vanuit de slaapkamer… richting het toilet.

Ze draaide haar hoofd net iets te laat. Er was niets meer.

Sara bleef een paar seconden stil zitten.

Toen haalde ze haar schouders op.

“Gordijn,” mompelde ze tegen zichzelf.

Het raam in de slaapkamer stond vaak open. De wind pakte het gordijn soms op en wierp vreemde schaduwen tegen de muur. Dat wist ze. Dat had ze al vaker gezien.

Ze keek weer naar de televisie.

En vergat het.

Maar de volgende avond gebeurde het opnieuw.

Dit keer zat ze rechterop.

Ze had het gevoel dat haar lichaam haar al had voorbereid nog voordat haar ogen het zagen.

Weer die beweging.

Sneller dit keer.

Dezelfde richting.

Slaapkamer… toilet.

Ze keek direct.

Niets.

Geen geluid.

Geen beweging van het gordijn.

De lucht stond stil.

Ze bleef zitten.

Lang.

En toen kwam die gedachte.

Niet plotseling. Niet dramatisch.

Maar langzaam, alsof hij van achteren naar voren kroop.

De schaduw van een gordijn kan niet tot aan de deur komen.

Ze keek naar de gang.

Donker.

Stil.

Te stil.

Vanaf dat moment begon het.

Niet meteen heftig.

Maar anders.

Alsof het huis… iets had toegevoegd dat er eerst niet was.

Ze begon kleine dingen op te merken.

Geluiden die niet helemaal klopten.

Een lichte tik tegen de muur.

Een verschuiving van lucht wanneer er geen wind was.

Soms het gevoel dat iemand door de gang liep, zonder dat er voetstappen waren.

En elke keer zei ze hetzelfde tegen zichzelf:

“Je verbeeldt je dingen.”

Omdat dat makkelijker was.

Ze hadden een hond.

Sokki.

Een binnenhond, altijd dicht bij haar dochter.

Rustig dier. Niet nerveus. Niet gevoelig.

Tot die week.

Sokki begon ’s avonds onrustig te worden.

Niet blaffen.

Niet grommen.

Maar staren.

Lang.

Naar de gang.

Zijn oren licht naar achteren.

Zijn lichaam gespannen, maar zonder te bewegen.

Alsof hij iets zag… dat hij niet durfde te benaderen.

Op een ochtend, nog vóór Sara goed wakker was, kwam haar dochter de kamer binnen.

Ze stond daar, stil, haar ogen nog zwaar van de slaap.

“Mama…”

Sara draaide zich om.

“Is Sokki binnen geweest vannacht?”

Sara fronste.

“Nee, waarom?”

Het meisje aarzelde.

Niet uit angst.

Maar uit verwarring.

“Er zat iets op mijn bed.”

De woorden bleven even hangen.

Te simpel om zwaar te zijn.

Te vreemd om licht te blijven.

“Wat bedoel je?” vroeg Sara.

Haar stem was rustig.

Te rustig.

“Ik dacht dat het Sokki was,” zei haar dochter.

“Het voelde… zwaar.”

Ze keek naar haar handen.

“Maar toen ik keek… was er niets.”

Sara voelde iets in haar borst verschuiven.

Niet angst.

Nog niet.

Maar iets dat daar dicht bij zat.

Die nacht sliep ze lichter.

Niet echt wakker.

Maar ook niet echt weg.

En ergens, diep in de nacht, hoorde ze het.

Niet duidelijk.

Niet hard.

Maar aanwezig.

Beweging.

In de gang.

Langzaam.

Niet gehaast.

Alsof iets wist waar het moest zijn.

Ze opende haar ogen.

Staarde naar het plafond.

En besloot…

niet te kijken.

De dagen daarna werd het moeilijker om het weg te redeneren.

De schim verscheen vaker.

Niet altijd volledig zichtbaar.

Soms alleen als beweging.

Soms als een donkerte die nét te donker was voor een normale schaduw.

Maar altijd hetzelfde patroon.

Van de slaapkamer…

naar het toilet.

En elke keer kwam het dichter.

Niet fysiek.

Maar… aanwezig.

Op een avond zat ze weer in de voorkamer.

De televisie speelde.

Maar ze volgde niets.

Ze wachtte.

Zonder dat ze het wilde toegeven.

En toen zag ze het.

Niet uit haar ooghoek.

Niet half.

Volledig.

De schim bewoog.

Snel.

Maar niet haastig.

Alsof het wist dat ze keek.

Alsof het niet meer nodig was om zich te verbergen.

Sara stond op.

Langzaam.

Haar hart klopte harder dan normaal.

Niet panisch.

Maar zwaar.

Ze liep naar de gang.

Stap voor stap.

En bleef staan bij de deuropening van de slaapkamer.

De kamer was leeg.

Maar de lucht…

was anders.

Dichter.

Dat was het moment waarop ze besloot hulp te zoeken.

De Culturu Man kwam de volgende dag.

Een oudere man.

Rustig.

Niet onder de indruk.

Alsof hij dit soort dingen vaker zag dan mensen zouden willen geloven.

Hij liep het huis binnen zonder veel te zeggen.

Keek rond.

Niet vluchtig.

Maar aandachtig.

Alsof hij niet naar het huis keek…

maar naar wat erin zat.

“Er is iets hier,” zei hij uiteindelijk.

Niet vragend.

Niet twijfelend.

Gewoon een vaststelling.

Hij begon met zijn werk.

Kruiden.

Rook.

Woorden die Sara niet volledig begreep, maar die zwaar in de lucht bleven hangen.

En toen gebeurde het.

De man stopte.

Midden in een beweging.

Zijn lichaam verstijfde.

Zijn ademhaling veranderde.

Langzamer.

Dieper.

Sara voelde de temperatuur in de kamer dalen.

Niet plots.

Maar genoeg om haar huid te laten reageren.

“Hij is hier,” zei de man.

Maar zijn stem…

was anders.

Dieper.

Niet helemaal van hem.

Zijn hoofd draaide langzaam naar de gang.

En toen…

glimlachte hij.

Niet vriendelijk.

Niet geruststellend

“Sani abi dekati fu sori en fesi…”

Het ding is brutaal genoeg om zich te tonen.

Sara voelde haar keel droog worden.

Ze wilde iets zeggen.

Maar haar lichaam werkte niet mee.

De man hief zijn hand.

Alsof hij iemand gebood dichterbij te komen.

En voor een fractie van een seconde…

zag ze het.

Niet volledig.

Niet scherp.

Maar genoeg.

Een vorm.

Menselijk… maar niet helemaal.

Donkerder dan donker.

Alsof het licht er niet op viel, maar erin verdween.

De man sprak opnieuw.

Sneller.

Sterker.

Zijn stem vulde de ruimte.

“Mi o sori en.”

Ik zal je laten zien.

De rook werd dikker.

De lucht zwaarder.

En toen…

was het weg.

Niet langzaam.

Niet vervagend.

Maar alsof het er nooit was geweest.

De stilte die volgde…

was anders dan voorheen.

Lichter.

Maar niet leeg.

De man zakte door zijn knieën.

Zijn ademhaling zwaar.

Zweet op zijn voorhoofd.

Na een tijdje keek hij Sara aan.

Nu weer zichzelf.

“Het is weg,” zei hij.

“Maar het was niet zwak.”

Die nacht sliep Sara.

Echt sliep.

Voor het eerst in dagen.

Maar soms…

heel soms…

wanneer het stil wordt in de Casewinistraat…

en de lucht net iets te zwaar aanvoelt…

denkt ze terug aan dat moment.

Aan hoe het keek.

Niet als een indringer.

Maar als iets…

dat er al langer was.

En wat haar het meest bijblijft…

is niet dat het verdween.

Maar hoe dichtbij het was gekomen…

voordat ze besloot het te zien.

Ingezonden door Sara

SPANNEND VERHAAL?

Deel op Facebook
Deel op X
Deel op Linkdin
Deel op Pinterest

Laat een Comment

Laat een reactie achter

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven