De Mensen Van Het Water

De vakantieperiode, een tijd van pure verrukking in het jaar, dient zich aan. Vooral wanneer ongeplande uitstapjes in het vooruitzicht liggen. Er is niets dat meer vreugde brengt dan op het spontane besluit te nemen om met vrienden de stad achter zich te laten. Zo ontvouwde zich het verhaal ook gedurende de uitgestrekte vakantiedagen van het vorige jaar. Mijn naam is Jessica, en ik omarm een vleugje avontuur, vooral wanneer het om onbetreden paden gaat, ver verwijderd van de gebruikelijke toeristische bestemmingen hier in Suriname. De vrienden van mijn vriend Marc deelden hun plannen voor een ontdekkingstocht die middag, en hij vroeg me vriendelijk of ik er interesse in had om mee te gaan. Die vraag had geen tweede nodig. In een oogwenk hadden we al onze benodigdheden bijeen vergaard. En daar gingen we dan, op weg naar het onbekende, op zoek naar dat sprankje avontuur dat riep.
Bron Foto: Spuku Tori OpenArt
Bron Foto: Spuku Tori OpenArt

Een uitgestrekte rit van ongeveer een uur bracht ons naar een locatie waar Haukes een gloednieuwe brug had opgetrokken. De exacte naam van de straat ontsnapt me, maar degenen die bekend zijn met deze plek zullen het herkennen zonder twijfel. Met een groep van acht avonturiers trokken we ten strijde. De overige zes waren al op hun gemak ter plekke toen onze wagens het terrein betraden. We parkeerden onze voertuigen keurig langs de inham naast de brug en begaven ons onmiddellijk naar de oever van de kreek. Hoewel niet diep, bood het een zalige verkoeling en een frisse bries. Op een gegeven moment wierp de vriend van Marc een suggestie op: hij wist van een plekje iets verderop aan de kreek, waar een strook maagdelijk wit strand van savannezand te vinden was. “Hoe komen we daar dan? Moeten we soms door het bos trekken?” wierp een ander nieuwsgierig op. “Nee, er is een pad… Neem alles mee,” verkondigde hij.



En inderdaad, er was een pad, zij het nauwelijks waarneembaar doordat het overwoekerd was. Na een kwartiertje stappen, kwamen we op onze bestemming aan. Het voelde werkelijk als een onontdekt stukje paradijs dat maar zelden door iemand werd betreden. “Weten mensen van deze plek?” vroeg ik. “Bijna niemand heeft er weet van… Overigens hoorde ik dit van iemand die in de buurt woont… Dit is mijn eerste keer hier,” deelde de vriend mee. We ontvouwden onze inklapbare ligstoelen en spreidden onze handdoeken uit, net als ware we op een afgelegen buitenlands strand. Zodra alles op zijn plek lag, namen we zonder aarzeling een duik in het kristalheldere water van de kreek. Het was simpelweg zalig.



Na de verfrissende zwembeurt voelden we dat het tijd was voor een pauze van het water, en dus vormden we een kring om wat kaartspelletjes te spelen. De zon hing laag aan de hemel, de klok sloeg 6 uur in de namiddag, en op dat moment werden we plotseling opgeschrikt door een schrille gil die uit het bos aan de overkant klonk. De gil sneed door de lucht en deed rillingen over onze ruggen lopen. We staarden elkaar een moment sprakeloos aan, in afwachting van een mogelijke herhaling, maar er volgde niets meer dan stilte vanuit het bos. We schudden het voorval van ons af en hervatten het spel, alhoewel ik in mijn perifere blik donkere vlekken op het witte zand zag verschijnen. Ik vermeed ernaar te kijken, aangezien ik me concentreerde op het kaartspel. De donkere vlekken leken echter dichterbij te komen en plotseling verscheen er een voetafdruk in het vochtige zand, recht voor onze ogen. Een collectieve sprong achterwaarts was onvermijdelijk. Iets, onzichtbaar voor ons, bewoog zich in de richting van het bos aan onze zijde van de kreek. We stonden als aan de grond genageld, bang om ook maar een spier te bewegen, in de hoop dat wat het ook was ons niet had ‘opgemerkt’. Toen de laatste voetafdruk aan de rand van het bos verdween, snelden we naar onze spullen en het kaartspel, verzamelend en klaar om terug te keren naar onze auto’s.

We begaven ons op het pad en na ongeveer een uur wandelen beseften we dat we verdwaald waren, ondanks dat we duidelijk op het pad bleven. Sommige herkenningspunten waren ons bekend. Angst kroop al langzaam in me omhoog. We zouden helemaal niet zo ver moeten zijn, bedacht ik, omdat onze auto’s slechts een kwartiertje verwijderd waren van het kleine strand. In de verte merkten we plotseling een open plek op en haastten ons ernaartoe. Maar tot onze verbijstering realiseerden we ons bij aankomst dat dit dezelfde plek was waar we een uur eerder waren vertrokken. Het werd al snel donker en ik begon gefrustreerd te raken door het idee dat we werden geleid door een of andere bosgeest die ons opzettelijk van het strand weg hield. De andere dames begonnen natuurlijk angstig en paniekerig te worden, omdat ze nog nooit zoiets hadden meegemaakt. Hun angst besmette me. De situatie escaleerde snel tussen ons, met huilbuien en verwijten, toen we plotseling opnieuw dezelfde gil hoorden, ditmaal vanuit een andere hoek van het bos. Bijna onmiddellijk daarna klonk er een oorverdovende schreeuw vanuit het bos achter ons. Binnen enkele seconden stonden we als een samengeklonterde groep haringen aan het uiteinde van het kleine strand. We hoorden duidelijk voetstappen naderen, een grote groep bewoog zich vanuit het bos aan onze zijde. Ik kon mijn ogen niet geloven. Ontelbare voetstappen tekenden het strand. Het water van de kreek begon zich onrustig te bewegen. Minstens tien minuten lang verdwenen de voetsporen één voor één in het water. We waren sprakeloos.



De muskietenbeten plaagden ons, maar ik kon de jeuk niet eens opmerken, want mijn zintuigen waren gespitst op wat er vervolgens zou gebeuren. “Hey Marc, we kunnen hier niet langer blijven, man… Kunnen we niet gewoon teruggaan… we hebben allemaal een zaklamp op onze telefoon, toch?” opperde een andere vriend. “Nee, Marc, alsjeblieft niet… het is te donker…” probeerde ik nog te bepleiten. Zijn vriendin was echter vastbesloten om te vertrekken en zette ons onder druk. “Laten we allemaal samen gaan… voor de veiligheid,” zei Marc. Mijn frustratie groeide. Frustratie omdat ik het gevoel had dat er meer op ons wachtte als we het bos zouden betreden en omdat ik er zelf ook echt weg wilde. We namen de kans en schakelden de zaklampen op onze telefoons in. Het pad was bijna onzichtbaar geworden, maar we schuifelden langzaam voort, in de hoop dat we iets zouden herkennen van onze heenweg. De duisternis was zo intens dat je geen hand voor ogen kon zien. De zwakke schijn van de zaklampen reikte nauwelijks ver genoeg om verder te kunnen kijken.

Plotseling hoorden we opnieuw diezelfde kreet, maar deze keer leek het recht achter ons te zijn. We draaiden ons om en schenen met onze zaklampen in de richting van het geluid. Uit het niets leken er lichtpuntjes te verschijnen, kleine ronde lichtjes. Ik dacht dat het vuurvliegjes waren, maar dat klopte niet. Deze lichtjes verzamelden zich allemaal op de plek waar we de kreet hadden gehoord. Eerst vormden ze een kleine cirkel en daarna voegden steeds meer van die kleine lichtjes zich bij elkaar, tot ze samen de vorm aannamen van een menselijke gestalte. Net voordat de gestalte volledig gevormd was, deden we een paar angstige stappen achteruit. Maar toen het zich helemaal manifesteerde, stond het daar als een imposante lichtverschijning die op ons neerkeek. Het had geen gezicht, geen ogen, maar het had ledematen en een hoofd. Plotseling strekte het een hand uit en wees naar een plekje links van zichzelf. De lichtpuntjes schoten uit zijn hand en verplaatsten zich in de richting die het had aangewezen. Mijn intuïtie fluisterde me één ding toe: “Volg die lichten… volg die lichten voordat het te laat is.” “Kom op, mensen, volg me, nu meteen,” schreeuwde ik, terwijl ik Marc bij zijn arm greep en een boog om de “lichtverschijning” maakte, de kleine lichtjes volgend. Gelukkig volgden de anderen ons voorbeeld.



Langs het pad ontstond een lange reeks zwevende lichtjes, als een gids die ons de weg wees. Ik keek even achterom om te zien of iedereen bij ons was, maar toen merkte ik op dat de lichtjes achter ons één voor één begonnen uit te doven. Het ging steeds sneller en de duisternis leek ons in te halen. “Rennen, rennen, mensen, we moeten rennen!” schreeuwde ik, en met die woorden zetten we het op een sprint. Toen we eindelijk onze auto’s in de verte zagen staan, gaven we een laatste krachtsinspanning, alsof we in een wedstrijd verwikkeld waren. Precies op het moment dat het laatste lichtje boven ons uitging, sprongen we uit het bos en hoorden we de kreet opnieuw, dit keer luider dan ooit. We maakten dat we wegkwamen, zo snel als we maar konden.

Ik weet niet wat dat wezen was, of wat het niet was. Eén ding is echter duidelijk: het heeft onze levens gered. De angstaanjagende kreet moet afkomstig zijn geweest van iets anders en niet van de ‘lichtbundelman’. Toen ik mijn grootvader onze ervaring vertelde, opperde hij dat het wellicht de ‘indianen van het water’ zouden kunnen zijn geweest – entiteiten die hun thuis hebben in het water. De geest die de lichtjes bezat, kan één of meerdere vriendelijke geesten zijn geweest, die de vorm aannamen van een menselijk figuur om ons iets vertrouwds te tonen zonder ons angst aan te jagen. “Meisje, je hebt juist gereageerd,” vertelde mijn grootvader. Ik deelde mijn opluchting over de keuze die ik had gemaakt. Maar ik vroeg me af, wat als ik het niet had gedaan? “Well,” zei hij…”misschien zou je dan een van hen zijn geworden… een van de mensen van het water.”


1 gedachte over “De Mensen Van Het Water”

  1. als ik deed lees dan is heel suriname een spook land,want een ieder die ergens in su gaat(maak niet uit waar)ziet of hoort geesten vreemd? woon zelfs 47 jaren in nederland en ben verkeersregelaar(weetje hoeveel mennsen zijn gestorven tijdens de tweedewereldoorlog)op elke hoek moet je een geest zien bij wijze van spreken.wij donkere mensen geloven in een hoop shit meer kan ik niet zeggen.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven