Het Vergeten Hoofd

Bron Foto: OpenArt

Een Roeping van het Binnenland

Ik ben Meggi, een leerkracht in het hart van Suriname’s binnenland, ver verwijderd van de drukte van Paramaribo. De Gran Rio, één van de bronrivieren van de Suriname rivier, is mijn thuis. Geboren in Paramaribo, maar mijn ziel heeft zich altijd toegeëigend aan dit afgelegen gebied. De natuur en het bos zijn mijn metgezellen geworden, en ik ben opgegaan in een wereld die haar eigen regels heeft, ver weg van de stadsdrukte.

Mijn naam is Meggi en ik ben leerkracht op een school, zo een 270 kilometers van Paramaribo verwijderd, aan 1 van de bron rivieren van de Suriname rivier; de ‘Gran Rio’. Ik ben geboren in Paramaribo, maar heb altijd mijn hart gegeven voor het werk in het binnenland van Suriname. Ik woon en werk nu al jaren in het binnenland en heb zelfs mijn geliefde hier leren kennen. Na mezelf te hebben “ingeburgerd” in deze nieuwe samenleving, die anders is dan ik gewend ben ik Paramaribo, is het mij al gauw gelukt geaccepteerd te worden als deel van die maatschappij. Een maatschappij die andere waarden en normen heeft, dan ik gewend ben in Paramaribo. En de kennis van het bos…niet gewoon de natuur…echt de kennis van het bos, zal altijd een grote rol spelen in mijn leven. Ik ben deel van dat bos en maak er gebruik van, bijna elke dag. Het bos zorgt voor mijn kostgrond en ziet erop toe dat ik altijd een bordje eten kan neerzetten op tafel voor mijn man en ik.


Een Nieuw Begin op de Kostgrond

De periode voor het openen van nieuwe kostgrondjes was aangebroken. Mijn huidige stuk grond was al 5 jaar oud en ik had dringend behoefte aan een nieuwe, zodat ik opnieuw kon beginnen met het telen van rijst, cassave, groenten en nog veel meer. Mijn man’s grootvader had ons een stukje land toegewezen voor landbouw. Het vergde ongeveer 2,5 uur peddelen om de locatie te bereiken. Mijn man, samen met vrienden en familie, had het bos gekapt en verbrand. De as die overbleef na het verbranden diende meteen als voeding om de grond vruchtbaar te maken. Nadat onze kostgrond volledig was verbrand en afgekoeld, hielp ik met het opruimen van takken en boomstammen die als brandhout konden dienen voor onze overnachtingen op het terrein. We sloegen dit hout op in de kleine hutten die mijn man zelf had gebouwd. Een van deze hutten was speciaal bedoeld voor het opslaan van de rijst die van mijn eigen kostgrond kwam.

Nadat het terrein was opgeruimd, begon ik onmiddellijk met het planten van mijn gewassen. Ik besloot zelfs om minder bekende gewassen die normaal alleen in Paramaribo te vinden zijn, te planten. Van aardvruchten tot vruchtbomen, ik hoopte dat mijn kostgrond een prachtig aanzicht zou worden. In een aparte zak had ik zaden van gewassen die ik als extra’s langs de rand van het bos, de “bus’-kanti”, zou planten, speciaal voor die plek.



Mijn man knutselde wat blikken en oude aluminium potten in elkaar, maakte er platte deksels van en hing ze in het midden van mijn kostgrond. Op die manier kon de wind er gemakkelijk doorheen waaien en wanneer dat gebeurde, creëerde het een luid kabaal. Het was mijn eigen vorm van een vogelverschrikker. Of misschien moet ik het eerder een geestverschrikker noemen.

‘De Grond van Mij,’ zo voelde het. Ik bracht er elke dag tijd door, zelfs na school. Ik genoot van de natuur terwijl ik langs de oevers van de Gran Rio voer, op weg naar mijn kostgrond. Het was minder inspannend om stroomopwaarts langs de oever te varen. Op een vrijdag ging ik weer alleen naar mijn kostgrond. Mijn man zou later in de middag arriveren, voordat het donker werd. Het was de tijd waarin dieren ’s avonds ook van ons kostgrondje kwamen genieten, en wie weet, misschien zouden we wel een hert of konijn kunnen schieten. Toen mijn man rond 18:00 uur arriveerde, kookten we samen, aten we en baadden we in de rivier. Ik bereidde mijn ‘rookpot’ tegen de muggen voor en daarna konden we gaan slapen.

Onverklaarbare Geluiden in de Nacht

Beiden werden we gewekt door het zware ademen van een of ander dier op ons kostgrondje. Mijn man greep zijn jachtgeweer terwijl ik hem probeerde te helpen voorzichtig uit zijn hangmat te stappen. ‘Pakira’s,’ fluisterde hij. Maar vlak voordat hij volledig uit zijn hangmat was gekomen, doorbrak de wind de stilte en deden de metalen vogelverschrikkers hun luide gebrul. Plotseling veranderde het gedreun van hoeven op de droge aarde in het stampen van rennende voetstappen… menselijke voetstappen. De nacht werd stil, te stil, en toen doorboorde een angstaanjagende schreeuw de lucht, klinkend alsof het de schaduwen zelf doormidden spleet. We wisten niet zeker of het de oproep van een bekende Yorka-fowru was, of dat het wezen het geluid nabootste. Het klonk als dit geluid hieronder (beluister het geluid met een koptelefoon).

Zonder aarzeling renden mijn man en ik naar buiten, gewapend met zaklampen, en schenen het licht op ons kostgrondje. Maar er was niets meer te horen of te zien. Ontdaan door de onverklaarbare gebeurtenissen besloten we maar weer te gaan slapen.


Een Ominieuze Ontdekking

De volgende ochtend, nadat we ons ontbijt hadden genoten, liepen we naar onze kostgrond om de omvang van de schade te inspecteren. Plotseling sprong mijn man achteruit en wees met zijn houwer naar iets dat gewikkeld was in ‘bugrumaka’-bladeren. Er stak haar uit het blad… glad kort haar, veel haar. Met de punt van zijn houwer tikte mijn man tegen de verpakking en daar rolde een hoofd tevoorschijn. Een mensenhoofd. Het hoofd van een Indiaanse man. Het zag er niet bedorven uit, het was goed verzorgd, gedroogd maar niet aangetast. De ogen waren gesloten en de mond was dicht, met dikke uitstekende lippen. Het was alsof het hoofd een luguber souvenir was. Ik kon niet geloven wat ik zag en zelfs tot op de dag van vandaag begrijp ik niet wat het te betekenen had.

Mijn man vertelde me dat we die avond beter niet konden gaan jagen. Onze nieuwsgierigheid was te groot om te zien of iemand of iets het hoofd zou komen opeisen. ‘Het wezen kan zich volgens mij niet verbergen in het bos,’ zei mijn man. ‘Het zou de geest kunnen zijn van een overleden piaiman of de entiteit die hem diende,’ vervolgde hij. ‘Zoals ik weet, werden piaimannen niet op het vasteland begraven. Ze werden voor hun overlijden naar een eiland gebracht om hun laatste dagen daar door te brengen.’ Ik had ook zulke verhalen gehoord in het verleden. Er werd me verteld dat deze geesten van gedaante kunnen veranderen en de vorm kunnen aannemen van bosdieren. Misschien zelfs de vorm van de pakira die we de vorige nacht hadden gehoord.


Een Boosaardige Geest Onthuld

“We hebben het hoofd precies op de plek gelaten waar we het eerder hadden gevonden en gingen verder met onze dagelijkse werkzaamheden. Mijn man vertelde me dat als hij het dier had geschoten, hij verschrikkelijk ziek zou worden omdat het naar hem toe zou komen om zich te wreken. De dag verstreek en de nacht viel als een dichte mistdeken in de duisternis. Ik sliep diep toen mijn man me zachtjes schudde om wakker te worden. ‘Ko luku Meggi, ko luku,’ fluisterde hij (kom kijken Meggy, kom kijken). Ik tuurde vanonder mijn hut naar de ‘buskanti’, waar ik een donkere gedaante zag bewegen, met ledematen die op lange armen leken. Het bewoog voorovergebogen voort, met vuistachtige voeten en lange armen die zich strak in de lucht uitstrekten. Aan het uiteinde van die lange armen zaten handachtige uitsteeksels, lange vingers als voelsprieten door de mist.”

“Plotseling stond de entiteit stil en richtte zijn handen naar ons. ‘Kijk niet Meggi, draai je gezicht meteen weg,’ fluisterde mijn man. Een luid en wild gestamp en gedreun vulde de lucht, botten kraakten. In mijn perifere zicht zag ik de lange armen ineenkrimpen, maar ik durfde niet rechtstreeks naar het wezen te kijken. Mijn man fluisterde: ‘A feni’eng’. ‘Kijk weg zodra je ziet dat hij het hoofd opzet, Meggi.'”

“Ik keek en zag door de mist hoe de entiteit veranderde in iets dat op een menselijke gestalte leek. Het stond rechtop en pakte het hoofd, langzaam plaatste het dat op zijn eigen hoofd met een intens krakend geluid van botten. Het begon plotseling luid adem te halen. Mijn man en ik wendden ons meteen af. We hoorden voetstappen dichterbij onze hut naderen. Als een mix van woede en dankbaarheid liet het wezen een luide kreet door onze tent galmen…”





 

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven